7. Molens in Beekbergen en Lieren

7. Molens in Beekbergen en Lieren

In Beekbergen en omgeving stonden rond 1300 dankzij de vele beken en sprengen een groot aantal molens. Het recht om molens aan te leggen had alleen de landheer. Toen men in de middeleeuwen het water van beken en sprengen ging gebruiken voor het aandrijven van molenraden, begrepen de landheren van die tijd onmiddellijk welk een belangrijk geldelijk voordeel het recht op stromend water kon opleveren. Ze lieten zelf watermolens bouwen die ze vervolgens tegen een jaarlijks bedrag aan molenaars verpachtten en waar boeren en burgers verplicht waren tegen een vastgesteld bedrag hun graan te laten malen. Aan de Beekberger Beek in Lieren stond sedert 1294 de oudste graanmolen van Beekbergen en wijde omgeving. Deze molen was in die tijd (1294/1295) een dwangmolen van de Gelderse graaf Reinald I en de ingezetenen van Beekbergen waren verplicht in deze molen hun graan te laten malen. De molen is na 1433 in particulier bezit gekomen. In 1533 verkopen Mechteld ten Have, Ryck van Heerd en zijn vrouw en Derck Jacobsz en zijn vrouw de watermolen met toebehoren, gelegen in het ambt Apeldoorn in het kerspel Beekbergen, aan het ‘Sint Peters Gasthuis’ in Arnhem.

Veluwse watermolen

In 1533 werd de molen dus eigendom van het ‘Sint Peters Gasthuis’. Daar komt ook de naam ‘Gasthuismolen’ vandaan, een benaming die tot op heden nog wordt gebruikt. In 1535 werd de verkoopakte van de molen aan het ‘Sint Peters Gasthuis’ door hertog Karel van Gelre ondertekend en bezegeld, waarbij tevens werd bepaald dat niemand anders op dezelfde beek in het kerspel Beekbergen waterkorenmolens mocht stichten.

In datzelfde jaar, 1535, vergunde Karel van Egmond, hertog van Gelre, het ‘Sint Peters Gasthuis’ de bouw van een volmolen:  de ‘Tullekensmolen’, genoemd naar Willem Tulleken, die de molen gepacht had van de weduwe van Marten Orgens, Geertje Schut.

De volmolen werd vlakbij het brongebied van de Oude Beek gebouwd. Om voldoende verval te krijgen was het nodig om de Oude Beek op te leiden, d.w.z. geleidelijk aan hoogte te laten winnen ten opzichte van het omringende land, want pas dan kon de beek een waterrad aandrijven. Dat betekende dat de bedding werd verlegd naar de hogere zijkant van het oorspronkelijke beekdal, net zo ver tot hij hoogte genoeg had om via een kustmatige waterval de bovenslagmolen aan te drijven. De verlegging van de oude bedding is nog goed te zien bij de Beekberger Beek ter hoogte van de ‘Tullekensmolen’ en de ‘Ruitersmolen’.

De ‘Tullekensmolen’ was een volmolen. Vollen is het laten vervilten van een wollen weefsel. Dit is een bewerking om de vezels dichter in elkaar te persen, waardoor een stevige stof ontstaat die minder vatbaar is voor krimp. Het weefsel werd gedompeld in een grote bak met heet water en urine. Door het weefsel met de voeten aan te stampen ging de stof vervilten en krimpen.

Tullekensmolen

Het vollen was zwaar en smerig werk. Vanaf de 17e eeuw werd dit werk enigszins ‘gemechaniseerd’ door volmolens toe te passen. Veel watermolens werden voor dit doel omgebouwd tot volmolen. Een dergelijke molen werd in de volksmond ook wel een stinkmolen genoemd.

In 1601 kreeg Marten Orges de ‘Tullekensmolen’ in pacht van het ‘Sint Peters Gasthuis’. De molen werd daarna tot papiermolen verbouwd. Op 6 maart 1679 kregen Willem Tulleken en Johanna Otten de pacht van water en grond bij de molen. Tot 1904 is er papier in vervaardigd, daarna is er een wasserij in gevestigd. Brouwer en Oxener waren eigenaar van de wasserij op de ‘Tullekensmolen’. Voor de oorlog waren er twee waswagens in bedrijf. Na de oorlog ging de wasserij snel achteruit en raakte de molen ernstig in verval. Inmiddels is de molen gerestaureerd en is er een Fordmuseum in gevestigd.

Ruitersmolen

In 1606 laat papiermaker Marten Orges op een stuk grond aan de Beekberger Beek een kleine papiermolen timmeren: de ‘Ruitersmolen’. De grond krijgt hij in pacht van de geërfden van de Lierdermark. De naam ‘Ruitersmolen’ vindt zijn oorsprong in het feit dat Marten Orges steeds te paard zijn eigen molens en die van zijn kinderen bezoekt.

In zijn huis is ook een gebrandschilderd raam aangebracht met een voorstelling van Marten Orges te paard. Behalve de achttien daalders als pacht moet Orges ook nog twee daalders per jaar voor het gebruik van het beekwater betalen aan de huismeesters van ‘Sint Peter’ in Arnhem. Orges vindt dit niet terecht en weigert te betalen. Het komt tot een proces, waarbij Orges in het ongelijk wordt gesteld en de rechter hem gebiedt bij de ‘Ruitersmolen’ het beekwater weer zijn vrije loop te geven. Enkele jaren wordt de papiermolen niet gebruikt. Dan blijkt dat het gasthuis ‘Sint Peter’ ten onrechte waterpacht heeft geëist. Kort na deze nieuwe uitspraak willen de weduwe van Orges en haar beide kinderen de molen weer in werking stellen. Drie zondagen wordt in de kerk van Beekbergen afgekondigd dat iedereen die daartegen bezwaar heeft dit kenbaar kan maken. Als blijkt dat alleen het ‘Sint Peters Gasthuis’ niet wil dat de ‘Ruitersmolen’ weer in gebruik wordt genomen, wordt in januari 1626 het erfpacht toegewezen aan Geertje Schut, weduwe van Orges en aan haar zonen Daniël en Paul.

Opleiden van een beek

In 1742 zijn er twee ‘Ruitersmolens’. Papiermaker Willem Jans zit op ‘Ruitersmolen I’ en Evert van Oorspronck op ‘Ruitersmolen II’. In 1843 zet eigenaar Derk Boks de ene papiermolen om in een korenmolen. De hamerbakken verkoopt hij aan Jan van Houtum in Ugchelen. Papiermaker L. van Gerrevink heeft dan de andere molen van de familie Hackfort uit Loenen gepacht. Deze molen brandt een aantal jaren later af en is niet meer opgebouwd.

Derk Boks, de eigenaar van ‘Ruitersmolen I’ wilde dat zijn zoon, Evert Jan, hem zou opvolgen als mulder (molenaar). Maar Evert Jan Boks koos voor de schilderkunst en vertrok naar Antwerpen om daar kunstschilder te worden.

Toen hij in 1863 aan de academie in Antwerpen een eerste prijs behaalde, bereidde Beekbergen hem een grootscheepse ontvangst. In 1964 werd de Evert Jan Boksweg naar de schilder vernoemd.

In de oorlogsjaren 1940-1945 werkte de ‘Ruitersmolen’ als korenmolen. De laatste eigenaar/molenaar was Kaars Sijpestein, daarna raakte de molen in verval.

Opleiding bij Ruitersmolen.

Vele jaren later is door de Stichting Vrienden van de Ruitersmolen met de restauratie begonnen. Marinus Zegers, de voorzitter van de stichting, heeft zich samen met veel vrijwilligers ingezet voor restauratie van die molen. In 1985 was de molen gerestaureerd en is door vrijwilligers in gebruik genomen voor het malen van graan.

Ook interessant voor jou

3. Het leven in de Middeleeuwen

3. Het leven in de Middeleeuwen

25. De Hagenbrug

25. De Hagenbrug

24. Veranderend straatbeeld in Beekbergen begin 20e eeuw

24. Veranderend straatbeeld in Beekbergen begin 20e eeuw