Het leven op de Veluwe was in de middeleeuwen niet gemakkelijk. De Veluwe werd door de toenemende zandverstuivingen steeds minder geschikt om te bewonen. Bovendien was de bevolking op het Veluwse platteland heel kwetsbaar voor het oorlogsgeweld door het ontbreken van steden en kastelen. De periode van 900 tot 1200 is dan ook een tijd van strijd, rampen en tegenspoed.
In de 13e eeuw werd de Veluwe een onderdeel van het graafschap Gelre. De graaf van Gelre werd rond 1215 de landsheer van de Veluwe. Hij kreeg dit gebied in leen van de bisschop van Utrecht. In 1227 noemde de graaf voor het eerst de naam van de Veluwe in een oorkonde: ‘in terra nostra Velua’, in ons land Veluwe.
In de 13e eeuw was er vaak sprake van oorlogsgeweld, plunderingen en verwoestingen. Meestal ging het daarbij om oorlogen tussen de bisschop van Utrecht en de graaf van Gelre. Maar ook de graven van Holland hielden veelvuldig huis op de Veluwe. Omstreeks 1250 was het opnieuw raak tussen de bisschop van Utrecht en de graaf van Gelre. Met veel machtsvertoon viel de bisschop de Veluwe binnen, plunderde de dorpen, stak ze daarna in brand en vertrok met rijke buit. Daarna verstomde het krijgsrumoer voor een tijd en kreeg de bevolking weer wat rust.
De meeste boeren in de middeleeuwen waren horigen. Ze waren geen eigenaar van de hoeve en de grond die ze bewerkten. Ze hadden de hoeve en de grond in leen van de grondeigenaar (heer). Ze mochten wonen en de grond gebruiken in ruil voor een deel van de oogst en het verlenen van herendiensten (hand-en spandiensten). De horigen waren verplicht mee te vechten met hun heer als het landgoed van de heer werd aangevallen. De grond die ze bewerkten waren kleine afzonderlijke percelen, die kampakkers werden genoemd (o.a. ‘konijnenkamp’ in Beekbergen).
Was er sprake van grotere aaneengesloten landbouwgronden, waarop meer horige boeren de grond bewerkten, dan werd gesproken over enkgronden. Die enken en kampakkers waren omgeven door een houtwal. Het vee en het wild werd op die manier buiten de enken gehouden om schade aan gewassen te voorkomen. Iedere boer was verplicht het aan zijn perceel grenzend deel van de houtwal te onderhouden.

Op verwaarlozing stonden strenge straffen, want schade aan gewassen werd dan niet alleen aangericht op zijn eigen land, maar ook op dat van zijn medeboeren. Iedere boer ontgon met zijn gezin een stuk grond en omheinde dat met een houtwal. Die oudste percelen werden wel huiskampen genoemd omdat ze in de directe omgeving van de boerderij lagen. Als er behoefte was aan meer grond werd een naastgelegen stuk grond ontgonnen. Op de hoek van de Engelanderholt en de bosweg naar Bakenberg is nog een huiskamp te zien, omzoomd door een goed onderhouden houtwal.
De stroken grond die elke horige boer kreeg toegewezen van de heer waren vrij klein. Vaak werden ze nog kleiner als gevolg van erfdelingen bij overlijden. De boeren hadden dan ook de grootste moeite om het hoofd boven water te houden. Geen wonder dat de Veluwse boeren in 1354 en 1355 in opstand kwamen.

De boeren, die gebukt gingen onder de zware lasten die hun telkens weer door de heren werden opgelegd, lieten zich verleiden tot een vrijheidsstrijd. Hertog Reinald van Gelre had hen daartoe aangezet. Hij had ruzie met zijn broer Eduard en met de ridders en de steden van Gelre. Om zich van steun te verzekeren beloofde Reinald aan alle bewoners van de Veluwe vrijstelling van belastingen en herendiensten als zij met hem tegen zijn broer Eduard wilden vechten. In juni 1354 kwamen de boeren en dorpelingen (de ‘vrijen’) van de hele Veluwe bijeen en trokken met spaden, grepen, knotsen, bijlen en hooivorken ten strijde. Bij een uitgestrekte heuvel tussen Beekbergen en Loenen, ‘de vrijenberg’, kwam het tot een treffen met de vijand. Na een hevig en langdurig gevecht moesten de boeren het uiteindelijk afleggen tegen de beter bewapende en geoefende ridders en hun knechten.
In het begin van de 15e eeuw stapelde zich de ene ellende op de andere als gevolg van oorlogen tussen de graven van Holland en de hertog van Gelre. Barneveld ging in vlammen op, samen met vele andere dorpen op de Noord-West Veluwe. Vooral in 1427 was het raak toen een troepenmacht vanuit Utrecht een inval deed. Hertog Arnold van Gelre heeft in Beekbergen nog een tegenaanval ingezet, maar toch slaagde de vijand erin Loenen en Eerbeek plat te branden. In totaal staken de troepen uit Utrecht tussen Apeldoorn en Hattem 18 dorpen en buurtschappen in brand. Ze schonden kerken en maakten veel vee en andere goederen buit. Na drie dagen trokken ze zich weer terug. In die tijd werden ook vanuit Deventer dikwijls uitvallen gedaan naar de Veluwe.

De bevolking in deze gebieden had overigens niet alleen te maken met oorlog en geweld. Men leed ook erg onder de verschrikkingen van de zwarte dood: de pest. Eeuwenlang hield de pest Europa en ook Nederland bij tijd en wijle in zijn greep met verschrikkelijke gevolgen voor de mensen. Vooral in de jaren 1347 en 1494 richtte de pest op de Veluwe een ware slachting aan onder de bevolking.
En buiten de pest was er dan nog regelmatig een groot gebrek aan voedsel, zoals tijdens de grote hongersnood van 1315 tot 1317. Een deel van de bevolking trok in die tijd weg naar de stad, met als gevolg dat in deze streken landbouwgrond weer werd prijs gegeven aan de natuur en het inwonertal op de Veluwe in die periode sterk afnam.