6. Het kerspel Beekbergen en de marken

6. Het kerspel Beekbergen en de marken

De buurtschappen rond Beekbergen vormden in de middeleeuwen samen een soort gemeenschap: het kerspel Beekbergen. Dit kerspel vormde samen met het kerspel Apeldoorn weer een scholambt of schoutambt. Het schoutambt Apeldoorn dateert uit de late middeleeuwen en bestond dus aanvankelijk uit de twee kerspels Apeldoorn en Beekbergen.

Het kerspel Beekbergen bestond naast het dorp Beekbergen uit de buurtschappen

Ugchelen, Hoog Buurlo, Engeland, Lieren, Voshuizen, Oosterhuizen met het latere Achterveld, Loenen en Zilven. Het kerspel Beekbergen telde rond 1500 ongeveer 350 inwoners en Apeldoorn ca. 500 inwoners.

Marken rond Beekbergen.

Het kerspel was van oorsprong een kerkelijke bestuurseenheid (de parochie), maar kreeg later ook een wereldlijke functie. Er werd kerkespraak gehouden, dat betekende dat de predikant of de koster na de preek allerlei zaken afkondigde. Niet alleen over geboorten, huwelijken en berichten van overlijden, maar ook bekendmakingen van hogere en lagere overheden, notariële zaken en andere zaken die voor de inwoners van het dorp van belang waren. In de kerk werden ook belangrijke zaken bewaard, zoals b.v. het markeboek en het deelijzer voor de houtdelingen. Iedere winter was er een houtdeling door de holtrichter. Voor een houtdeling was de goedkeuring van de landeigenaar vereist. Hij beoordeelde of de stand van het bos een deling toeliet. Na verkregen toestemming werd het bos door deelslieden verdeeld in slagen. Het merken van bomen geschiedde met een speciaal merkijzer. Door loting werd dan aan elk van de deelgerechtigden een slag hout op stam toegewezen. Na betaling van de verponding (grondbelasting) aan de vorster mocht men onder diens toezicht de bomen laten hakken.

De kerk nam in het leven van alledag in het kerspel Beekbergen een belangrijke plaats in. Voor de Beekbergense boeren was de kerk niet alleen van belang voor hun geestelijk leven, ook voor hun materiële wel en wee waren velen aan haar gebonden omdat de kerk veel bezittingen (grond) had. Te midden van de kleine dorpse samenleving van boeren, ambachtslieden, enkele handelaren, geestelijken en herbergiers stond de kerk.

Van heinde en verre trokken de mensen er veelal te voet naar toe voor het bijwonen van de diensten, vergaderingen of rechtszaken. De tocht leidde vaak over smalle en kronkelende landweggetjes, de zogenaamde kerkenpaden. 

De buurtschappen rond Beekbergen vormden samen de marken, zoals de Lierdermark en de Speldermark. Een marke was in de middeleeuwen een samenwerkingsverband van grotere boeren, die gezamenlijk het gebruik en beheer van hun gemeenschappelijke gronden regelden. Het grondgebied van de marke was het gezamenlijk eigendom van de eigenaren van de grotere boerderijen in de buurtschap. Elk van die boerderijen had een vastgesteld aandeel in de marke, het waardeel. Tot de landerijen behoorden ook de meenten, de onverdeelde weidegronden. Aan het hoofd van een marke stond de markerichter of holtrichter. Zaken met betrekking tot het beheer van de marke werden opgeschreven in het markeboek, dat in de kerk werd bewaard.

Veel grond was in bezit van grootgrondbezitters en kerkelijke instellingen. In Beekbergen had de proosdij van ‘Sint-Lebuïnus’ te Deventer bezittingen, evenals de heer van Bronkhorst, die een overheersende rol speelde in de Lierdermark en Speldermark. Als landerijen in handen waren van een heer, kon deze gebruiksrecht verlenen aan de gebruikers, het markerecht.

De buurtschappen rond Beekbergen waren boerengemeenschappen. Akkerbouw en veeteelt vormden de middelen van bestaan. Een groot deel van de arme gronden was niet geschikt om voor akkerbouw te worden gebruikt. Maar heide en bos, weide en venen waren wel van groot belang voor het in stand houden van de akkerbouw. Vooral de heidevelden werden gebruikt als weidegronden van het vee. Bovendien leverde de heide de plaggen voor het bemesten van de akkers en strooisel voor de stallen. In de bossen kon men hout sprokkelen en er timmerhout vandaan halen.

Herenhul.

Maar Beekbergen was meer dan alleen een boerengemeenschap. In het Engelanderholt, lag de ‘Herenhul’, een oude gerechtsplaats. Dikwijls is op die plaats een heimaal gehouden, een zitting van het omgaande recht; dus een rechtbank die op verschillende plaatsen rechtszittingen hield. Het gerecht bestond uit een rechter (een vertegenwoordiger van de graaf) en ommestanders, die de betreffende rechtskring vertegenwoordigden. In 1243 behoorden de pastoors van Beekbergen en Apeldoorn tot de ommestanders. Als pastoor van Beekbergen wordt vermeld ene Nycholaus, ‘plebanus te Bekberge’. Het heimaal beperkte zich niet tot strafzaken maar deed ook uitspraken in burgerlijke geschillen.

Soms hield de graaf (later de hertog) zelf ook bijzondere zittingen in het Engelanderholt. Die zittingen, de zogenaamde ‘klaringen’, deden dienst als een soort hof van appèl. De bijeenkomsten vonden oorspronkelijk plaats in de openlucht, maar later ook wel in een houten barak. De grootgrondbezitters, waaronder de heer van Bronkhorst, maakten ook deel uit van de rechtbank.

In 1423 is ‘Herenhul’ het toneel van de inhuldiging van een landheer voor het Veluwse platteland. Net als tijdens de rechtszittingen moet het bij de inhuldiging van de landheer in Engelanderholt en Beekbergen een drukte van belang zijn geweest. De hertog, de edelen en ridders, de afgevaardigden van steden met hun knechten en soldaten, de mensen die ter rechtszitting kwamen, de marskramers, voerlui en natuurlijk de toeschouwers. Het waren gouden tijden voor de herbergen in Beekbergen.

In 1394 horen we voor het eerst van een herberg in Beekbergen. In 1432 wordt herberg ‘Het Roode Hert’ genoemd in een rekening van de stad Arnhem over dat jaar. Bij de rechtszaken (klaringen) op ‘Herenhul’ in de Engelanderholt verbleven de afgevaardigden uit Arnhem in die herberg; zij namen steeds het wapen van de stad Arnhem mee en hingen dat aan de buitenmuur van de herberg.

Tot in de 19e eeuw kwamen in deze herberg in de buurtschap Engeland de geërfden van de Engelandermark en Bruggelermark bijeen. Om geërfde te mogen zijn moest men een volle of halve hoeve in de marke bezitten. Een hoeve was een landmaat van zo’n 16 hectare, dus een flink stuk grond. Pas dan mocht men meepraten over het bestuur van de marke.  In de omgeving van de oude herberg zijn talrijke scherven van Jacoba-kannetjes en ander middeleeuws aardewerk tevoorschijn gekomen en in 1880 een pot met 800 zilveren munten. De munten waren tussen 1225 en 1237 geslagen. Op de plek van de oude herberg aan de Engelanderweg ligt nu een woonhuis met de naam ’t Hert’.

Vertegenwoordigers van de kleinere steden verbleven tijdens de klaringen op ‘Herenhul’ in andere herbergen in Beekbergen, zoals ‘De Gouden Leeuw’ en ‘De Aap’. In laatstgenoemde herberg, gelegen aan de Arnhemseweg tegenover De Els, verbleven ook steeds de verdachten; zij waren ‘in de aap gelogeerd’. In Beekbergen vonden overigens wel meer belangrijke bijeenkomsten plaats. Daarbij waren soms de hertog van Gelre, de heer van Bronkhorst en schepenen uit Deventer aanwezig. De vergaderingen van de Overijsselse en Gelderse Hanzesteden werden aan het eind van de 14e eeuw ook vaak in Beekbergen gehouden.

Gezien hun ligging aan de rand van de Veluwe hebben de kerspels Beekbergen en Apeldoorn minder te lijden gehad van de economische neergang in de 14e en 15e eeuw dan elders op de Veluwe. Ook de ligging aan enkele belangrijke doorgangswegen was van belang voor de ontwikkeling van deze kerspels. De wegen van toen waren eigenlijk brede karrensporen. Sommige van deze grote karrensporen werden na verloop van tijd drukke handelswegen. Zo was er de Harderwijker Heerweg, een Hanzeweg, die liep van Harderwijk, Uddel, Assel, Ugchelen, Beekbergen, Hall, Doesburg naar Werden in Duitsland. Een andere weg ging van Beekbergen, Teuge, Wilp via Deventer richting Münster. De Woeste Hoeve is ontstaan bij de kruising van de oude karweg van Apeldoorn naar Arnhem en een hessenweg die van oost naar west liep.

Hessenweg

Het vervoer ging met paarden en wagens of met ossenkarren. De karren hadden houten wielen met grove houten spaken. Ze trokken diepe sporen in de modderige zandwegen van de Veluwe.

Het reizen in die tijd ging traag en was niet zonder gevaar. De wegen waren in tijden van droogte door het mulle zand en in tijden van neerslag door modderkuilen nauwelijks begaanbaar voor de reiskarren.

Mensen gingen daarom meestal te voet. Een daggemiddelde van veertig kilometer was dan het maximaal haalbare. De reiskarren, zonder vering, waren log en onhandelbaar. Ze bleven al gauw in de modder steken. Op de wegen bevond zich een bonte verzameling van figuren: krijgsvolk, kooplieden, handelaren, maar ook marskramers, ketellappers, bedelaars en deserteurs.

Zandklep of holleweg

Het was onveilig langs de wegen. Struikrovers, meestal afgedankte huursoldaten, vielen op afgelegen en beboste gebieden kooplieden en andere passanten aan. De slachtoffers bleven dan berooid en geplunderd achter. De weg van Deventer via Loenen en Woeste Hoeve naar Otterlo, was berucht vanwege de vele overvallen. Vooral bij Woeste Hoeve bestond gevaar. De doorgang was heel moeilijk begaanbaar vanwege het mulle zand. Een dubbele bespanning van paarden was vaak nodig om de wagens en karren door het mulle zand de heuvel op te trekken. Zo’n doorgang heette een zandklep of holleweg.

Ook interessant voor jou

3. Het leven in de Middeleeuwen

3. Het leven in de Middeleeuwen

25. De Hagenbrug

25. De Hagenbrug

24. Veranderend straatbeeld in Beekbergen begin 20e eeuw

24. Veranderend straatbeeld in Beekbergen begin 20e eeuw