IJzerwinning op de Veluwe
In de 9e en 10e eeuw bevond de Veluwe zich in een economische bloeiperiode die werd veroorzaakt door de ijzerwinning in dit gebied. Bij archeologisch onderzoek in Beekbergen zijn op diverse plekken ijzersintels aangetroffen. Op grond daarvan mogen we aannemen dat de ijzerwinning en ijzerbereiding ook plaats vond in de omgeving van Beekbergen.

Het ijzererts werd gevonden in zogeheten klapperstenen. Dit waren holle, min of meer ronde steenklompen, bestaande uit half ijzer en half steen. Ze werden in grote hoeveelheden aangetroffen in de zandkuilen van de stuwwal tussen Hoog Soeren en Dieren. De klapperstenen werden aan stukjes gehamerd en gesmolten in kleine oventjes. Men was echter niet in staat om de temperatuur in de ovens zo hoog op te voeren dat het ijzer vloeibaar werd. Na verhitting bleef in de oventjes een klomp ijzerslak (wolf) over.
Om deze ijzerklomp uit de steen te krijgen, sloeg de smid de ovens stuk en bewerkte de overgebleven ijzerslak tot bruikbare ijzeren gebruiksvoorwerpen als hamers en bijlen. De oventjes konden dus maar één keer gebruikt worden. De overgebleven ijzersintels en kapotgeslagen oventjes gooide de smid op een hoop, dat was de ‘smittenbarch’ (Smittenberg).
De naam Beekbergen, in het dialect uitgesproken als ‘Bikbargen’, verwijst ook naar die ijzertijd. Het woord ‘bik’ betekent afval en een ‘barg’ is een hoop. Er zijn nog enkele namen in Beekbergen en Lieren die herinneren aan de winning en bewerking van ijzer: de ‘zwarte berg’ (Zwartebergweg) waar de sintels lagen opgeslagen en ‘wolfskuilen’, kuilen waar ijzerklompen werden aangetroffen.

De ijzerwinning was niet alleen voor eigen gebruik. Veel ijzer werd geëxporteerd en met de inkomsten daarvan konden de inwoners van Beekbergen en omgeving o.m. grote hoeveelheden Rijnlands aardewerk en vaatwerk importeren. Veel van dit aardewerk is bij opgravingen in deze omgeving gevonden. De productie van ijzer is van enorme omvang geweest. De bossen zorgden daarbij voor het benodigde hout voor de bereiding van houtskool, waarmee de ijzerovens werden gestookt. De bossen die destijds op de Veluwe volop aanwezig waren, werden op grote schaal gekapt voor de houtskoolbranderijen.
Naast de ijzerwinning was er op de Oost-Veluwe ook akkerbouw en veeteelt in de vroege middeleeuwen. De vroegmiddeleeuwse bewoners van de Veluwe woonden in kleine van hout opgetrokken behuizingen. In de 9e en 10e eeuw verbouwde elk gezin zijn eigen voedsel. Daartoe werden op de grens van natte en droge gronden open plekken in het bos gemaakt. Zo’n open plek, huiskamp genaamd, was net groot genoeg om één gezin van voedsel te kunnen voorzien. Het akkertje werd bemest met bladstrooisel uit het bos.
Ook wat betreft het vee waren de bewoners afhankelijk van het bos; omdat er nog geen weilanden waren, werden de schapen, geiten, koeien en varkens in het bos gehoed. De vroegmiddeleeuwse boeren hadden veel grond nodig voor hun akkerbouw omdat een stuk bouwland door het ontbreken van voldoende mest al gauw uitgeput raakte. Voor de akkerbouw werden daarom veel bossen gerooid. Wanneer de akkers uitgeput raakten, kwam de grond braak te liggen en daar ontstonden de heidevelden, die weer als weidegrond voor het vee dienden. Deze heidevelden waren belangrijk voor de opkomende plaggenlandbouw. Het vee werd geweid op de heidevelden en ‘s avonds werden koeien, geiten en schapen op stal gezet om zo de mest te verzamelen. Hierdoor werden blijvende akkers bij de nederzettingen mogelijk. De akkerbouw vond plaats op de enk of es, net buiten de nederzetting. In de buurtschap Engeland bij Beekbergen is nog een mooi voorbeeld van een es te zien.
De akkers brachten vooral rogge voort, maar ook haver, gerst, vlas en bonen. De veestapel bestond uit enkele stuks koeien, schapen, geiten en varkens.

Het klimaat op de Veluwe onderging in de 10e eeuw een belangrijke verandering. In die eeuw steeg de temperatuur aanzienlijk en brak een tijd aan van extreme droogte. Deze klimaatverandering duurde tot in de 11e eeuw. In deze warme en droge periode zijn de onafzienbare zandverstuivingen op de Veluwe ontstaan, vanaf Kootwijk tot Beekbergen en vanaf de Imbosch tot Het Zand bij Oosterhuizen.
Hoewel het klimaat zich later weer verbeterde hebben deze verstuivingen zich steeds verder uitgebreid als gevolg van overbeplagging en het te intensief begrazen van de heide. Bovendien richtten de kuddes schapen en loslopende varkens veel schade aan bomen en struiken aan.

Tegen het einde van de 11e eeuw liep de ijzerwinning op de Veluwe langzamerhand terug als gevolg van toenemende concurrentie, de invallen van de Noormannen en het opraken van de benodigde brandstof door de houtkap. Vanwege het teruglopen van de ijzerwinning heeft de Veluwe daarna flink aan betekenis ingeboet. Als gevolg van langdurige droogte werd ook de akkerbouw steeds minder van belang en langzamerhand werd het Veluws ijzergebied dan ook weer het domein van schaapherders.