In augustus 1939 was de mobilisatie in Nederland begonnen. Beekbergen merkte iets van de mobilisatie doordat op het landgoed ‘Ruiterserve’ van Pieter Kaars Sijpesteijn een detachement Gele Rijders was gelegerd. Koningin Wilhelmina bracht in 1939 nog een bezoek aan dit landgoed.

Begin mei 1940 liep de spanning overal op, maar toch kwam de Duitse inval op 10 mei 1940 voor velen nog als een schok. In Lieren en Oosterhuizen werden de bruggen over het kanaal door het Nederlandse leger opgeblazen om zo een snelle opmars van de Duitse gemotoriseerde troepen te verhinderen. Maar veel haalde dat niet uit. Binnen enkele dagen zag men ook in Beekbergen Duitse soldaten in het straatbeeld verschijnen.
Direct na de mobilisatie in 1939, voerde de Nederlandse regering het distributiestelsel in.
De bedoeling was om Nederland in de oorlogstijd zoveel mogelijk zelfvoorzienend te maken. Dat hield in de praktijk in dat er meer graan en aardappels werden verbouwd en dat daarvoor grasland werd opgeofferd. In de verdeling van het voedsel voorzag een stelsel met bonkaarten. Toen de bezetting begon, lagen de bonkaarten klaar en de pakhuizen waren in de voorgaande jaren goed gevuld door extra inkopen. Hierdoor konden de schaarse voedingsmiddelen en goederen zo eerlijk mogelijk onder de bevolking worden verdeeld. Naast een geldbedrag als betaling voor goederen, moest men ook een bon inleveren.
Zo raakte een groot aantal producten zoals dat heette ‘op de bon’. Het ging vooral om voedingsmiddelen, maar ook om textiel, schoenen, zeep en lucifers. Suiker ging in 1939 als eerste op de bon; in juni 1940 gevolgd door brood, bloem, koffie, thee, textiel en schoenen. In de loop van de oorlog kwamen steeds meer producten op de bon. Om aan distributiebonnen te komen moest men in het bezit zijn van een door de overheid verstrekte distributiestamkaart. Wanneer mensen bonnen had verkregen, konden ze op in de kranten aangekondigde tijden naar een winkel gaan om gerantsoeneerde producten te kopen. Omdat iedereen op hetzelfde moment zijn bonnen moest inleveren, stonden voor de winkels vaak lange rijen. Men had geld en distributiebonnen nodig; had men wel geld maar geen bonnen dan kon men niet kopen. De distributie heeft nog tot enkele jaren na de oorlog bestaan, omdat de schaarste met het einde van de oorlog niet direct verdween.
In april 1941 werden alle Nederlanders van veertien jaar en ouder verplicht tot het bezit van een persoonsbewijs. Het persoonsbewijs was ontwikkeld door een Nederlandse ambtenaar. Het document was buitengewoon moeilijk te vervalsen. Dit had te maken met de inktsoort die voor het persoonsbewijs werd gebruikt; onder een kwartslamp werd de inkt onzichtbaar. Ook reageerde het karton van het persoonsbewijs met aceton, waardoor veranderingen in de geschreven tekst direct opvielen. Het persoonsbewijs had aan de voorzijde een pasfoto. Verder stonden op het bewijs de vingerafdruk en de woonplaats en geboortedatum van betrokkene. Het systeem van persoonsbewijzen heeft duizenden mensen het leven gekost omdat het de opsporing en arrestatie van mensen aanzienlijk vereenvoudigde en omdat het document moeilijk na te maken was.
In de beginjaren van de oorlog leek het leven een tijdlang normaal verder te gaan, ondanks de bezetting door de Duitsers. De eerste jaren van de oorlog verliepen in Beekbergen en omgeving tamelijk rustig. Gaandeweg de oorlog nam de bezetting steeds grimmiger vormen aan.
In villa ‘Rauwenhul’ waren in de oorlogsjaren geregeld Duitse soldaten ingekwartierd. Hoewel het verderop gelegen sanatorium (later ‘Het Immendaal’) veel meer ruimte bood voor inkwartiering, kozen de Duitsers voor ‘Rauwenhul’ aangezien de kans op tuberculosebesmetting in het sanatorium erg groot was. Bij een razzia of huiszoeking in ‘Rauwenhul’ week het inwonende mannelijke personeel uit naar het sanatorium, waar de Duitsers niet graag kwamen. Villa ‘Rauwenhul’ lag soms helemaal vol met Duitsers, maar veel overlast ondervonden de bewoners en het inwonende personeel er niet van. Men nam het maar zoals het kwam.

In verschillende buurten in Beekbergen en Lieren werden in de loop van de oorlog schuilkelders gemaakt. Op menig erf werd een gat gegraven van twee bij vier meter groot en ongeveer 40 cm diep. De uitgegraven grond werd langs de zijkanten van het gat opgebracht, zodat er een hoogte zou worden bereikt van ongeveer 60 centimeter. Naast de ingang van de kelder werden twee dikke palen rechtop tegen elkaar gezet.
De kelder moest natuurlijk niet in verlengde van ingang liggen, maar loodrecht erop, anders zou men zo door ingang in de kelder kunnen schieten. Op het dak van de schuilkelder werden palen gelegd en vervolgens een hoge berg stro en wat eikenhakhout en elzentakken daar bovenop. De schuilkelder bood vooral bescherming tegen luchtaanvallen.
In Beekbergen ontstond al kort na het uitbreken van de oorlog een ondergrondse verzetsgroep. Deze verzetsgroep hield zich bezig met het onderbrengen van onderduikers op onderduikadressen en de bevoorrading van deze mensen. Onderduikers woonden niet op het adres waaronder ze in de bevolkingsadministratie voorkwamen. Zij konden daardoor geen voedselbonnen krijgen en waren aangewezen op hulp van het verzet. Het verzet bracht vervalsingen in omloop, maar pleegde ook overvallen op de distributiekantoren.

Een deel van het verzetswerk speelde zich af in de zogenaamde ‘witte huisjes’ (zomerhuisjes) aan de ‘achterweg’ tussen ‘Het Spelderholt’ en de Berg en Dalweg. Uit overvallen werden distributiebonnen verzameld en in een kist naar de witte huisjes gebracht. Daar werden valse stamkaarten gemaakt met gefingeerde Belgische namen.

Met behulp van deze stamkaarten en bonnen werden levensmiddelen gekocht bij bakkers in de wijde omgeving van Beekbergen. Het voedsel werd in de witte huisjes verzameld en van daaruit naar de onderduikers gebracht. Later werden er ook geallieerde piloten ondergebracht en van daaruit naar het zuiden vervoerd.
De communicatie in de verzetsgroep verliep via het rondsturen van giro-enveloppen met aangebrachte tekentjes (konijn of vossenkop) die op het postkantoor werden onderschept door de directeur (Schaapman).
Een onderduiker op ‘Het Hoogeland’ haalde de enveloppen op bij het postkantoor en bracht ze naar de witte huisjes. Deze huisjes lagen heel strategisch in ‘Het Spelderholt’ op een heuvel. Van daaruit had men een goed zicht op het dorp en de buurtschap Engeland en de Konijnenkamp. Bij razzia’s in het dorp werden in de witte huisjes ook jongens en mannen uit het dorp opgevangen. Van Duitsers had men er weinig last, omdat de Duitse soldaten niet graag over de achterweg reden waar hun wagens gemakkelijk vast konden raken in het mulle zand.
In de verzetsgroep zaten o.a. Evert Blom, Willem Oxener, Hendrik Liefers, Kas Erné, Evert van ‘t Land, Klazinus Busser en ds. Van Exel. De groep stond in contact met directeur Veenstra van ‘Het Hoogeland’, waar veel onderduikers waren ondergebracht. Door verraad is in januari 1943 het merendeel van de verzetsgroep gearresteerd en later omgebracht in concentratiekampen.

Pieter Kaars Sijpesteijn die woonde op ‘Ruiterserve’ behoorde tot een andere verzetsgroep. Pieter stond in verbinding met de Ugchelense arts G.P. Duuring om aspirant-Engelandvaarders te helpen ontsnappen naar Engeland.
Hij zorgde voor de financiële middelen voor een overtocht. Eind maart 1942 is het huis van Sijpesteijn door de Sicherheits Dienst (SD) en de Ordnungspolizei (de Grünen) overvallen. In de gang van de woning werd een tas gevonden met belastende gegevens. Pieter en een ander lid van de verzetsgroep die op bezoek was, werden gevangen genomen. Pieter Kaars Sijpesteijn bezweek uiteindelijk op 19 februari 1943 in het concentratiekamp Vught. Andere Beekbergenaren die in het verzet zaten, waren Jan Barendsen, Jan Schut en Jan van Beek.
Barendsen was luitenant-kolonel geweest in Nederlands-Indië. Terug in Nederland ging hij wonen in Beekbergen. In de oorlog raakte hij betrokken bij het verzet. Op 8 augustus 1942 werd hij door de bezetter opgesloten in het gijzelaarskamp Sint-Michielsgestel, maar hij kwam op 15 december 1942 weer vrij. Hij werd commandant van het gewest 6 van de Ordedienst.
Toen op 29 september 1944 de Duitse Ortskommandant van Apeldoorn 4000 Nederlandse burgers opriep om militaire versterkingen langs de IJssel aan te leggen, kwamen er slechts 36 mensen opdagen. Besloten werd een aantal verzetslieden te executeren als afschrikwekkend voorbeeld. Op 30 september 1944 werden Barendsen en 14 andere verzetsmannen opgepakt. Acht, waaronder Barendsen en Jan Schut werden op 2 oktober 1944 op het terrein van het ‘Apeldoornse Bosch’ (later ‘Groot Schuylenburg’) gefusilleerd.
Jan van Beek is de enige van de verzetsgroep die de Tweede Wereldoorlog heeft overleefd. Ernstig verzwakt keerde hij na de bevrijding terug uit een concentratiekamp.
Veel onderduikers werden in ‘Het Hoogeland’ ondergebracht. Ze kwamen zogenaamd als personeelslid of bewoner binnen de instelling. De onderduikers werden op ‘Het Hoogeland’ van zulke goede papieren voorzien dat ze zich bij een controle geen zorgen hoefden te maken. Op een dag ging het toch fout. Een bewoner ging naar de Duitse Ortskommandant en vertelde dat er op ‘Het Hoogeland’ onderduikers zaten en dat er een geheime zender stond opgesteld. Er volgde een groots opgezette razzia, waarbij alle gebouwen van de instelling volledig werden omsingeld door de Sicherheits Dienst en leden van de Grüne Polizei. Alle bewoners werden in de eetzaal bij elkaar gedreven en het personeel moest het kantoor in. Directeur Veenstra was evenwel van te voren getipt en had de nodige maatregelen genomen. Er werden door de Duitsers slechts drie mannen en een radio meegenomen.

Er waren her en der inwoners van Beekbergen die in huis aan onderduikers onderdak boden. Zoals fietsenmaker Gerrit Tijhof aan de Dorpstraat. Hij verstopte onderduikers op de vliering van zijn huis. Soms moest hij zelf ook vluchten en hij ging dan ‘s avonds van zijn woning via het Slagerspaadje en de Hietveldweg, richting Zonnegloren. Daar verbleef hij ‘s nachts in een schuilplaats in het bos. De volgende morgen keerde hij dan terug naar zijn fietsenzaak, volgens een vast patroon. Op een ochtend eind augustus 1944 is hij door de Duitsers opgepakt en weggevoerd. Er wordt aangenomen dat hij is verraden. Hij is op 3 mei 1945 – een paar dagen voor de bevrijding – omgekomen in concentratiekamp Neuengamme. In de laatste maanden van de oorlog moesten mannen zich regelmatig melden voor de ‘arbeiteinsats’, het werken in Duitse dienst. In Beekbergen werden mannen tussen 18 en 55 jaar opgeroepen zich te melden voor o.m. het graven van antitank-wallen in Duitsland. De mannen moesten zich in de Dorpstraat verzamelen, waar Duitse soldaten met het geweer in de aanslag de groep begeleidde naar Apeldoorn. Ze moesten een schop, een deken en wat brood meebrengen. Er waren niet veel mannen uit Beekbergen die afreisden naar Duitsland.
Mannen en jongens uit Beekbergen gebruikten de bossen rond ‘Het Spelderholt’ dikwijls om onder te duiken. Het was er betrekkelijk veilig, want door de hoge ligging waren de activiteiten van de Duitsers bij razzia’s en huiszoekingen in Engeland en in het dorp goed te volgen. Ook in kippenschuren in de bossen bij Zonnegloren zaten vaak veel onderduikers. Wie langer moest onderduiken deed dat in de omgeving van de Woeste Hoeve. Voor noodgevallen werden in de bossen van ‘Het Spelderholt’ en Zonnegloren schuilhutten gebouwd met ondergrondse vluchtgangen, zodat onderduikers in noodsituaties konden wegvluchten. Duitse soldaten waagden zich niet gauw in het bos. Sommige mannen doken zelfs onder in de schuren van landgoed ‘Het Spelderholt’ toen de Duitse rijkscommissaris Seys-Inquart in het kasteel zijn hoofdkwartier had. Wanneer mannen zich een langere tijd moesten schuilhouden werd gezorgd voor bevoorrading van voedsel en andere benodigdheden vanuit ‘Het Hoogeland’. Eten was er tijdens de oorlog meestal voldoende; vooral roggemeelspap stond vaak op het menu in die dagen.

In landhuis ‘Het Spelderholt’ vestigde zich in 1943 rijkscommissaris Seyss-Inquart, Hitlers vertegenwoordiger in Nederland. Hij verplaatste zijn bestuurscentrum van Den Haag naar Beekbergen. Aan het einde van de oorlog bood ‘Het Spelderholt’ onderdak aan Arnhemse slachtoffers van de mislukte oorlogsoperatie ‘Market Garden’. Na de oorlog was kasteel ‘Het Spelderholt’ geruime tijd een militair hoofdkwartier voor prins Bernhard. Er werd op de hoek van de Arnhemseweg en Engelanderweg een kleine landing strip voor kleine vliegtuigen aangelegd.

Op 17 september 1944 begon de slag om Arnhem. Die dag en nacht was de lucht vol vliegtuigen, die vanuit Beekbergen goed te zien en te horen waren. De dagen erna werden Beekbergen, Lieren en Oosterhuizen overstroomd door grote aantallen vluchtelingen uit Arnhem. Alle beschikbare woonruimte werd door de evacués ingenomen.
Veel boeren waren bij de evacuatie van de inwoners van Arnhem betrokken. De boeren reden met paard en platte wagen naar de Woeste Hoeve om evacués uit Arnhem op te halen. De mensen kwamen uit Arnhem gelopen en vooral vrouwen en kinderen waren volledig uitgeput als ze bij de Woeste Hoeve aankwamen. Binnen drie dagen moesten ca. 80.000 mensen Arnhem verlaten.

Enkele dagen later had op de Arnhemseweg een zware aanval plaats van geallieerde vliegtuigen op een colonne boerenwagens die uit Arnhem evacués aanvoerde. Tussen de boerenwagens reden ook Duitse militaire voertuigen. De geallieerden zagen de colonne aan voor vijandelijke Duitse voertuigen en beschoten de colonne, waardoor er een aantal doden en veel gewonden vielen. De gewonden werden opgevangen in ‘Het Hietveld’ dat werd ontruimd en als noodhospitaal voor zo’n 200 gewonde en zieke evacués in gebruik werd genomen. Bij deze aanval van geallieerde vliegtuigen werd ook het woonhuis van de familie Schut op de hoek van de Arnhemseweg en de Hietveldweg getroffen. Mevrouw Schut en haar jongste zoon vonden daarbij de dood.
Ook in ‘Het Zonnehuis’ zochten evacués uit Arnhem hun toevlucht. Er werd een hulppost van het Rode Kruis gevestigd. De huisartsen in Beekbergen verzorgden zieken en gewonden en hielpen bij bevallingen. De meeste vluchtelingen verbleven er maar een korte tijd, maar toch was er een voortdurend gebrek aan ruimte voor het onderbrengen van de vele moeders en zuigelingen, naast de ca. 85 patiënten.
‘Het Zonnehuis’ werd een soort noodziekenhuis, waar vooral veel kinderen werden ondergebracht. Ouders brachten er hun kinderen naar toe en vertrokken zelf naar boeren in de omgeving, waar ze in schuren en kippenhokken woonden.
Een enkele keer stortte in de tweede helft van de oorlog in de omgeving van Beekbergen een vliegtuig neer. Zo werd een Duits vliegtuig neergeschoten in het bos bij Bruggelen. De piloot had nog wel kans gezien het toestel te verlaten, doch was zwaar gewond in een boom terecht gekomen en overleden. Ook de rest van de bemanning had het leven verloren. Duitse soldaten borgen de lichamen en ruimden het wrak op.
Aan de Solseweg bij ‘Troelstra-oord’ stortte een Engelse bommenwerper neer. Hierbij waren ook geen overlevenden. Bij het ‘Veluwseiland’ aan de Arnhemseweg kwam een Engelse Spitfire naar beneden. Omwonenden waren snel ter plekke, maar toen waren Duitse soldaten al bezig de omgekomenen uit het wrak te halen, wat overigens met veel respect gebeurde.
Een Duits onbemand vliegtuig (V1) vloog dwars door het huis van de familie Arends die woonde in één van de ‘Van Riemsdijkhuizen’ aan de Arnhemseweg (bij de Stoppelberg), waarbij drie doden vielen. De V1-vliegtuigen kwamen ook vaak neer in de omgeving van de Noordweg in de bossen tussen Beekbergen en Hoenderloo.
Bij de Veldbrugweg in Lieren stortte aan het einde van de oorlog nog een Engels vliegtuig neer; een toevallig passerende boer kwam daarbij om het leven. De piloot van het vliegtuig was slechts licht gewond en kon met behulp van omwonenden onderduiken in een kippenschuur en later met hulp van de ondergrondse (groep Van ‘t Land) ontsnappen.
Tijdens de hongerwinter van 1944/1945 kwamen burgers van heinde en ver om voedsel te bemachtigen bij de boeren in Beekbergen en omgeving. ‘Het Hoogeland’ verbouwde destijds veel aardappelen en verkocht veel aardappelen aan de inwoners van de omliggende dorpen en mensen uit het westen van Nederland. Bewoners van de instelling werden ingeschakeld om de aardappelen te bewaken en zo diefstal te voorkomen. Uiteindelijk besloot men de aardappelen op te slaan in het koetshuis van ‘Het Zonnehuis’ aan de Papenberg en het koetshuis te bewaken.
Op 6 maart 1945 hadden de Apeldoornse Binnenlandse Strijdkrachten (BS) een tip ontvangen dat de Wehrmacht bij een slachterij in Epe 3000 kilo vlees zou ophalen. Een Apeldoornse verzetsgroep kreeg opdracht deze partij vlees te bemachtigen. Men besloot om nog diezelfde avond een Duitse vrachtwagen buit te maken, om daarmee het vlees bij de slagerij op te halen. ‘s Avonds om half tien vertrokken zes mannen van de groep per fiets richting Arnhem. Bij de Woeste Hoeve legden zij hun fietsen in de berm en verscholen zich, bewapend met stenguns. Omstreeks middernacht naderde de auto van SS-Obergruppenführer Rauter.

De leden van de verzetsgroep, die ten onrechte een vachtauto meenden te horen, openden het vuur. Na de schietpartij waren de verzetslieden ervan overtuigd dat de inzittenden gedood waren. Rauter was evenwel zwaar gewond en dacht dat de aanslag speciaal voor hem was opgezet. Er volgden daarop ongekend zware represaillemaatregelen. Er werden 116 Nederlandse gevangenen uit diverse gevangenissen gehaald en bij de Woeste Hoeve geëxecuteerd. Een Duitse Oberwachtmeister die weigerde deel uit te maken van het vuurpeloton werd ook ter plekke geëxecuteerd.

In 1945 is op de fusilladeplaats het monument ‘De Woeste Hoeve’ opgericht ter nagedachtenis aan de 117 mensen (merendeels verzetslieden) die hier op 8 maart 1945 door de bezetter zijn gefusilleerd. In 1992 is het monument vernieuwd. Aan het gedenkteken is een glasplaat met de namen van de slachtoffers, een gedenksteen met gedicht en een metalen constructie toegevoegd.
Begin april 1945 komt voor Beekbergen en omgeving de bevrijding in zicht. Op woensdag 11 april 1945 trekt het Eerste Canadese Leger tussen Voorst en Wilp de IJssel over om ongeveer 4 uur in de middag. Meteen daarop laten de Duitsers alle bruggen over het kanaal, die ze zelf niet nodig hebben voor de terugtocht, in de lucht vliegen.


De Woudbrug in Lieren blijft intact. De Canadezen rukken snel op in de richting van Apeldoorn en Klarenbeek. In Lieren maken de Duitsers zich op om het kanaal te verdedigen; op verschillende plaatsen wordt Duits geschut opgesteld. Op zaterdag 14 april 1945 komt het artillerievuur vanuit Klarenbeek in de richting van Beekbergen. De mensen in Lieren moeten de schuilkelders in. Op zondag 15 april 1945 worden de nog resterende kanaalbruggen, waaronder de Woudbrug, door de Duitsers opgeblazen. Op die zondagavond breekt de hel los. Van alle kanten begint het mitrailleurvuur en iedereen moet de schuilkelder in.
Het mitrailleurvuur duurt de hele avond en op diverse plaatsen in Lieren zijn granaatinslagen.
De volgende dag is het rustig. Het is prachtig weer.
Tegen vier uur s middags komen vier vliegtuigen over en worden de nog resterende Duitsers aan het kanaal vanuit de lucht onder vuur genomen. ‘s Avonds begint het mitrailleurvuur weer en gaat iedereen terug in de schuilkelder. Tegen middernacht is er nog hevig granaatvuur en zijn er veel inslagen. Na een kwartier granaatvuur aan één stuk wordt het stil.

Dinsdag 17 april 1945 is het prachtig weer en rustig en stil. Vroeg in de ochtend komen de Canadezen Lieren binnen. Ze nemen even de tijd om met enkele dorpsbewoners een sigaret te roken. Een grote groep stoottroepers trekt door de buurtschap in de richting van Apeldoorn gevolgd door het zware materiaal: vrachtwagens, tanks, kanonnen. Het dringt tot de inwoners van Beekbergen en Lieren door dat ze zijn bevrijd en de vlaggen gaan uit. De geallieerde soldaten zwaaien, lachen en juichen met de bevolking mee. Op 17 april 1945, ‘s morgens om 6.30 uur heeft het uur van de bevrijding in Lieren geslagen. Beekbergen wordt een paar uur later bevrijd, daar komen de Canadezen uit de richting Loenen.
Naderhand horen de mensen pas over de enorme aantallen militairen en burgers die in de oorlog zijn omgekomen; de schattingen lopen uiteen van ruim 50 miljoen tot wel 72 miljoen slachtoffers. Ook krijgt men later pas te horen over de verschrikkingen in concentratiekampen en de ‘holocaust’.