De eerste wereldoorlog ging weliswaar goeddeels aan ons land voorbij, maar op 1 augustus 1914 begon de mobilisatie van de Nederlandse strijdkrachten in verband met het begin van de eerste wereldoorlog. De mobilisatieoproepen voor de landweer werden bij de gemeentehuizen opgeplakt en onder het luiden van de kerkklokken onder de aandacht van de bevolking gebracht. Men ging er aanvankelijk vanuit dat de oorlog rond de kerstdagen van 1914 wel voorbij zou zijn, maar dat liep anders. De mobilisatie verliep over het algemeen zonder grote incidenten, al was de kledingvoorziening van de opgeroepen soldaten niet al te best geregeld. Oudere lichtingen droegen het versleten, donkerblauwe uniform; de nieuwere lichtingen hadden een veldgrijs uniform. Stalen helmen voor de soldaten waren tot aan het einde van de oorlog niet voorradig. Boeren en sommige burgers werden verplicht om voor de duur van de mobilisatie wagens en paarden voor het leger af te staan. Naarmate de mobilisatie langer duurde probeerde men meer en meer onder deze verplichting uit te komen.
Beekbergen kreeg met de mobilisatie te maken vanwege een garnizoen artillerie dat in 1914 in deze omgeving werd ingekwartierd. Overal werden soldaten ingekwartierd, zoals bij ‘Ruiterserve’ en in boerderijen in Beekbergen, Lieren en Oosterhuizen. In zo’n boerderij kon men in de achterhuizen tamelijk veel manschappen onderbrengen en in de stallen en schuren was plaats voor paarden en voertuigen en ander materiaal.

Vanaf oktober 1915 werden de troepen veelal ondergebracht in tentenkampementen en nam de inkwartiering bij burgers af. De inkwartiering van de manschappen van het leger leverde soms wel wat problemen op, maar soms ontstonden er ook hechte vriendschappen en relaties tussen de burgers en de ingekwartierde soldaten.
De mobilisatie duurde uiteindelijk vier jaar. Voor de soldaten betekende dit vier jaar van verveling en ergernis. In oktober 1918 leidde de lange duur van de mobilisatie en de eindeloze verveling tot een soldatenoproer in de legerplaats Harskamp. In november 1918 werd in Europa een wapenstilstand gesloten tussen de strijdende partijen en besloot de Nederlandse regering zo snel mogelijk te demobiliseren. Dit werd ook ingegeven door de heersende ‘Spaanse’ griep. De overheid voelde er weinig voor om verantwoordelijk te zijn voor de vele sterfgevallen onder de gemobiliseerden als gevolg van deze griep. Op 12 november 1918 maakte de minister van Oorlog bekend dat de meeste manschappen naar huis mochten. De soldaten kregen geen uitrusting mee naar huis, want eerder was gebleken dat de meegegeven uitrusting, waarmee men weer in dienst kwam, in slechte staat verkeerde. De grootverlofgangers kregen wel twee paar schoenen mee naar huis. De afgezwaaide militairen maakten er dankbaar gebruik van, want door de schaarste die er heerste waren alle spullen waardevol geworden.
1

Hoewel Nederland niet direct in de eerste wereldoorlog betrokken raakte, bracht deze oorlog het land wel veel ellende. Naarmate de oorlog langer duurde werd voedsel en brandstof steeds schaarser. Tegen het einde van de oorlog heerste er onder grote delen van de bevolking schrijnende armoede en zaten ruim 700.000 gezinnen zonder gas en elektriciteit. Pas later kreeg men in deze streken te horen over de verschrikkingen van de eerste wereldoorlog in de rest van Europa. Zo werd bekend dat in de oorlog meer dan 20 miljoen mensen de dood hadden gevonden. De gevolgen van de ‘Spaanse’ griep die aan het eind van de oorlog door het Amerikaanse leger was overgebracht naar Europa waren nog rampzaliger; deze griep kostte uiteindelijk aan meer dan 60 miljoen mensen het leven.