In 1905 begon Jonkheer L.F. Teixeira de Mattos (1872-1945) met het aankopen van grond in het ‘Grote Zand’, een gebied ten westen van Beekbergen. Deze grond had toebehoord aan de in 1870 ontbonden ‘Speldermark’. De Amsterdamse bankierszoon Teixeira hield zijn plan om een groot landgoed te stichten lange tijd geheim om prijsopdrijving te voorkomen. Hij schakelde stromannen in die kleine stukken grond voor hem opkochten. De aankoop van Teixeira de Mattos omvatte uiteindelijk maar liefst 763 hectare. Het grootste deel van de aangekochte grond bestond uit heide en stuifzand; verder omvatte het zo’n 150 hectare bos. Teixeira liet het gebied ontginnen onder leiding van de in 1888 opgerichte ‘Nederlandse Heidemaatschappij’ (‘Heidemij’), waar hij een belangrijke positie bekleedde. De ontginning werd op voortvarende wijze en met toepassing van nieuwe technieken aangepakt.
Bij het bebossen van een zandverstuiving werd eerst het stuivende zand met heideplaggen goed vastgelegd om verdere verstuiving van het terrein te voorkomen. Om het gebied geschikt te maken voor bosbouw (dennen) moest de grond worden geploegd.

Ontginning met ossen
Dit ploegen was een zwaar karwei en gebeurde met paarden of vaak ook met ossen (vier- of zesspannen) uit de Eiffel. De ossen werden aangedreven door ossendrijvers als Gradus Klopman uit Ugchelen en Gerrit Schut en Johan Middelink uit Beekbergen; zij ploegden met hun ossenspannen tientallen bunders. In het ‘Grote Zand’ lagen twee waterputten, de ‘Engelanderput’ en het ‘Draayersgat’. De gaten zijn ook nu nog te vinden in het Spelderholt. Voor het drenken van de ossen maakte men gebruik van deze bronnen. De trekossen werden gestald in een stal in de buurt van de Noordweg in Beekbergen.
Nadat de heide was geploegd, werden lupinen gezaaid om een goede stikstofbemesting te verkrijgen. Daarna pas werden de eerste boompjes geplant. De ‘Heidemij’ huurde daarvoor arbeidskrachten in uit omliggende dorpen van het Spelderholt. Twee bosarbeiders konden zo’n 1500 boompjes per dag planten. Het werk leverde per dag ongeveer 80 cent tot 1 gulden per arbeider op.

Kasteel Het Spelderholt
Teixeira liet op een heuvel van het landgoed een monumentaal landhuis bouwen en een tuin aanleggen met een oppervlakte van maar liefst 10 hectares. Zo ontstond landgoed ‘Het Spelderholt’ en had Teixeira zijn devies: ‘van woestenij tot lusthof’ waargemaakt. De familie Teixeira kwam na voltooiing van het kasteel en het park in 1908 in Beekbergen wonen. Vanwege de afgelegen en hoge ligging werd het landgoed voorzien van een eigen watervoorziening. Voor het huishouden en het onderhoud van het landgoed had Teixeira het nodige personeel in dienst. Het huispersoneel bestond uit een huisknecht, een keukenmeid en twee kamermeisjes. Verder was er een chauffeur, een koetsier en een palfrenier. Voor het onderhoud van de tuin van het landgoed zorgden een tuinbaas en tien tuinknechten.
Verschillende personeelsleden woonden op het terrein van ‘Het Spelderholt’.
Op 12 mei 1909 liet Teixeira de Mattos in de bossen van het Spelderholt ter gelegenheid van de geboorte van prinses Juliana de ‘Juliana-linde’ planten. De boom werd omgeven door een ijzeren hekwerk. De inmiddels meer dan 100-jarige linde staat nog altijd in het Spelderholt.

Julianalinde
Van 1912 tot 1917 was Teixeira de Mattos lid van de gemeenteraad en van 1917 tot 1923 wethouder Openbare Werken van Apeldoorn. Hij nam, samen met zijn chauffeur
P. Gryseels, het initiatief tot de oprichting op 5 oktober 1909 van muziekvereniging ‘Prinses Juliana’en was daar ook jarenlang beschermheer van. Door een inzamelactie onder de burgerij van Beekbergen kwam voldoende geld binnen om de benodigde muziekinstrumenten voor het orkest aan te schaffen. Derk Boks was de eerste voorzitter en dirigent J. van Veen de eerste muzikale leider.
Teixeira schonk de Beekbergense bevolking in 1911 een park (‘Teixeira de Mattospark’) aan de Loenenseweg met daarin een houten muziektent, bestemd voor de plaatselijke muzikale feestelijkheden. De houten muziektent werd in 1955 afgebroken en vervangen door een nieuwe die naar de achterzijde van het park werd verplaatst omdat men tijdens concerten meer en meer last kreeg van het toenemende verkeer op de Loenenseweg.

Muziektent in het Texeira de Mattospark en het wijkgebouw
Op 21 maart 1921 droeg Teixeira ‘Het Spelderholt’ over aan het rijk. Bij de overdracht werd bepaald dat het landgoed zou gaan fungeren als een instelling voor landbouwkundig onderzoek; er kwam een proefstation voor de pluimveehouderij, met de naam ‘Het Spelderholt’. Op het landgoed is later ‘Parc Spelderholt’ gevestigd, een opleidingsinstituut voor studenten met een verstandelijke beperking.