Het Beekbergerwoud (het Woud) was in de prehistorie één van de machtige oerbossen die in Holland (holtland) toen veel voorkwamen. Het Beekbergerwoud bestond voornamelijk uit elzen (Elsbosweg), essen en wilgen. Op de hoger gelegen horsten groeiden ook eiken. In tijden van gevaar boden deze horsten een schuilplaats voor de bewoners van het omliggende land. Het moerasbos was vanwege de drassigheid moeilijk begaanbaar en dus ook nauwelijks te exploiteren. Aan de randen van het Woud groeide eikenhakhout; dit hout werd elke 7 à 12 jaar gekapt. Na het kappen werd het hakhout geklopt, zodat de bast losliet. Vervolgens werd het hout geschild door eekschillers. Aan de gedroogde bast (eek) werd later water toegevoegd, waardoor de zogenaamde run werd verkregen dat door leerlooiers werd gebruikt voor het looien van huiden. Het hout werd gebruikt als brandhout en ter versteviging van de onderkomens van de eekschillers.
De wilgen in het Woud werden gebruikt voor het maken van klompen. Daarnaast leverde het Woud ook brandstof voor de meilers om houtskool voor de kopermolens in Klarenbeek te branden. De houtskoolbranders woonden evenals de eekschillers in hutten aan de rand van het Woud (het ‘huttenvolk’). De hutten waren gebouwd van leem, takken en zogenaamde iemsplaggen, vierkante plaggen met veel plantenresten.

Behuizing van eekschillers
Het waren armzalige onderkomens. De deur was een gat in de hut en door een tweede gat in het dak verdween de rook van het turfvuur. De iemsplaggen werden ook gebruikt om bijenkorven mee af te dekken, vandaar de naam ‘iemplag’ (Iemschoten). Het ‘huttenvolk’ leefde in uiterst primitieve omstandigheden en er heerste schrijnende armoede. De mensen werden in het Woud oogluikend toegelaten door de geërfden van de Lierder- en
Speldermark, want ze kwamen in de oogsttijd van pas: ze werden dan voor drie stuivers per dag gehuurd.
Alleen in uitzonderlijk droge zomers en zeer strenge winters was het gehele Woud toegankelijk. In de rest van het jaar stond er ongeveer 80 cm water. In strenge winters kon men de zware (12 tot 15 meter hoge) elzen in het bos kappen en afvoeren. De elzenstobben liepen steeds weer opnieuw uit en op de stobben ontstonden soms wel zes of zeven flinke bomen. ‘s Zomers waagden alleen koewachters zich in het bos. Zij trokken vroeg in de morgen met het vee de broeklanden en het Woud in.
In 1869 werd door de geërfden van de marken besloten het Woud te verkopen. Op 16 en 30 september 1869 werd het Beekbergerwoud in Arnhem geveild en verkocht aan B. van Spreekens uit Velp voor een bedrag van 111.005 gulden. Van Spreekens vroeg daarna de medewerking van alle bewoners van de buurtschappen rond Beekbergen bij het rooien van de bomen en het in cultuur brengen van het Woud. Een groot aantal inwoners gaf gehoor aan deze oproep en hielp mee bij de ontginning van het Woud.
Voor de ontginning van het Woud moest allereerst het overtollige water worden afgevoerd. Door het graven van een ringsloot rondom grote delen van het Woud werd het overtollige water van de omliggende groengronden via deze ringsloot afgevoerd naar twee bestaande weteringen (de Grote en de Kleine Leigraaf), die het water verder afvoerden naar de IJssel. Maar liefst achtenzestig mannen hielden zich bezig met het graven en uitdiepen van de ringsloot en twee verbindingssloten. Slechts tien van deze mannen beschikten over laarzen; de overigen stonden met klompen aan te graven of stobben te rooien. De uitgegraven grond werd gebruikt voor een verbindingsweg (‘woudweg’). Deze verbindingsweg kreeg in 1949 de naam Van Spreekenslaan.

Elzenbos
Nadat ook de zogenaamde kruissloten gereed waren en een deel van het bos was geveld, groef men evenwijdig aan de woudweg een groot aantal kavelsloten. Die zogenaamde gruppels waren 1 meter breed en 80 cm diep. Langs elke kavelsloot werd een tijdelijk pad gemaakt om het gevelde hout af te voeren. Kavel na kavel werd gespit of geploegd en grotendeels geëgaliseerd, waardoor de hoger gelegen horsten verdwenen uit het landschap.
De ontginning ging in een hoog tempo. Begin januari 1870 was al 6250 meter ringsloot gegraven of uitgediept en 4400 meter kruissloten gegraven. Bovendien was toen een 1100 meter lange weg van zes meter breed aangelegd die dwars door het Woud liep. Om de bomen te kappen werden nog eens vijftig arbeiders in dienst genomen, zodat er in totaal honderdvijftig arbeiders werkten in het Woud. Het betekende veel werkgelegenheid voor de mensen in Beekbergen en omgeving.
(De straatnaam ‘De Welvaart’ herinnert nog aan deze economische opleving). Zeker in de winterperiode was deze werkgelegenheid zeer welkom, want in andere winters heerste er meestal een grote werkloosheid en dus armoede. Van Spreekens was zo tevreden over de voortgang van de ontbossing en het bebouwbaar maken van het Woud, dat hij de arbeiders nog een extra beloning heeft gegeven. De normale lonen waren in die tijd ongeveer 7 tot 10 cent per uur. De arbeiders waren blijkbaar ook erg tevreden, want ze brachten hulde aan de eigenaar met vlaggen, erebogen, gedichten en toespraken.
De eerste houtveiling vond plaats op 3 maart 1870. Er werden maar liefst 14.000 bomen verkocht. De opbrengst viel erg tegen. Het brandhout, klomphout, rijshout en rikken gingen tegen spotprijzen weg. Op 10 juni 1871 werd de laatste boom van het Woud geveld. In de loop van 1872 werd de laatste kavel gespit. Het laatste oerbos van ons land is dan verdwenen.

Het Woud
In 1871 werd begonnen met de bouw van de boerderij op het landgoed. De koper van het Woud, Barend van Spreekens, heeft overigens niet op het landgoed gewoond. Zijn jongste zoon Willem vestigde zich er in 1887. Willem van Spreekens vervulde een groot aantal maatschappelijke functies in de locale samenleving.Hij was kerkvoogd van de hervormde kerk in Beekbergen; oprichter en voorzitter van de in 1909 opgerichte Boerenleenbank; voorzitter van ‘V.V.V. Beekbergen-Vooruit’; bestuurslid van de boterfabriek ‘De Gelderland’ in Loenen; hoofdgeërfde van de polder Beekbergen; bestuurslid van de ‘Gelderse Maatschappij van Landbouw’ en beschermheer van muziekvereniging ‘Wilhelmina’ in Oosterhuizen. Hij is overleden in 1929.