n een dorp op het platteland was een koster /onderwijzer in het begin van de 19e eeuw een belangrijk persoon. Zo ook in Beekbergen. Harmen Coers was in 1765 als onderwijzer/koster naar Beekbergen gekomen. Hij wordt in 1809 opgevolgd door zijn zoon Derk Coers. De koster was in die tijd eigenlijk een manusje-van-alles. Hij was tevens schoolmeester en soms ook doodgraver van de hervormde kerk. Elke dag moest hij het uurwerk in de toren opwinden en op tijd smeren; verder moest hij de kerkelijke mededelingen en landsbesluiten aanplakken op een bord bij de kerk. Als een graf in de kerk inzakte, moest hij dat aanvullen met zand en de vloer glad maken. Hij moest de kerk schoonhouden en ook het aanwezige koperwerk poetsen. Zijn inkomsten verkreeg hij uit landpacht, schoolgeld en het delven van graven. Verder verdiende hij nog wat met de verkoop van paaseieren, kerstmisdubbeltjes en de verkoop van duivenmest uit de kerktoren. Voor het lesgeven aan arme kinderen in het dorp kreeg de koster tien gulden per jaar van de kerk. Hij moest elke dag lesgeven op school, behalve op zaterdag en zondag.
Na 1800 verdienen de meeste mensen in Beekbergen en de buurtschappen de kost op kleine boerderijtjes als boer, keuterboer, boerenknecht of dagloner. Daarnaast werken mensen in allerlei ambachten, zoals hoefsmid, molenaar, timmerman, klompenmaker, bakker, kuiper en brouwer.
Dagloners waren eigenlijk een soort seizoenarbeiders; de boer huurde een dagloner in om te poten, te zaaien, onkruid te wieden, gras te maaien, koren te zichten en aardappels en bieten te rooien. Ook het graven en uitbaggeren van sloten werd vaak door dagloners gedaan.
In drukke tijden werden losse arbeiders niet uitbetaald in tijdloon, maar in prestatieloon, dus hoe meer bieten of aardappelen men rooide of hoe meer koren men maaide des te groter de verdiensten. De druk op de dagloners en de onderlinge concurrentie was hierdoor bijzonder groot. In het hoogseizoen namen manlijke dagloners daarom ook vaak hun vrouwen en kinderen mee naar het werk. Vrouwen en kinderen verdienden nauwelijks iets, maar hun productie werd opgeteld bij die van de man en zo werd het gezinsinkomen wat verhoogd. De vrouwen hielpen bij wieden tussen de planten, het stenen zoeken op het land en het binden van korenschoven. Daarnaast zorgden ze bij thuiskomst natuurlijk nog voor het huishouden, de kinderen, de eigen tuin en molken ze de geit. Kinderen hielpen vaak bij het wieden en poten of zochten op het land naar achtergebleven aren, aardappels of bieten.
De oudere meisjes van het gezin pasten vaak thuis op hun jongere broertjes en zusjes. De werkdagen van de dagloners waren lang. In de zomer begon men al om 4 of 5 uur. Rond het middaguur had men anderhalf uur pauze; men liep dan naar huis om te eten of als dit te ver weg was, at men het meegebrachte voedsel op het land.
Dagloners hadden lang niet altijd de garantie dat er werk was. In de wintermaanden viel er nauwelijks iets te verdienen. Om de winter door te komen leefde men van het ingemaakte en gedroogde voedsel, dat was verbouwd in de eigen tuin. Voor melk, boter en kaas was men afhankelijk van de geit. De vrouwen van dagloners verrichtten tegen een kleine betaling thuis handenarbeid als spinnen, breien, weven, naaien of het verstellen van kleren. Ook wasten zij vaak de kleding van de meer gegoede families in de buurtschap. Maar deze verdiensten waren vaak niet genoeg voor het gezin om de hele winter zonder honger door te komen. Kortom, in het gezin van een dagloner heerste vaak grote armoe en honger.

Boerderijtje
Ook de (keuter-)boeren hadden het niet gemakkelijk in die tijd. Zo mislukten in de jaren 1830 en 1831 de graanoogsten volledig en tussen 1841 en 1846 mislukten opnieuw de roggeoogsten en aardappeloogsten. Bovendien werd het land in 1845 en 1846 getroffen door zeer strenge winters en veel te droge zomers. Om de ellende compleet te maken heerste er in Beekbergen en omgeving ook nog een muizenplaag. Door al deze tegenspoed komt menig gezin in diepe armoede terecht.
Armoede was vooral bij de lagere standen onder de bevolking een immens probleem in de 19e eeuw. De bestrijding van armoede was in de 19e eeuw overwegend nog een zaak van de diaconie van de plaatselijke kerk. Pas in de tweede helft van de 19e eeuw ging de overheid zich hiermee bemoeien. Maar de praktijk van de armenzorg bleef nog lange tijd overwegend in diaconale handen. Zo was het ook in Beekbergen en omgeving.
Hoewel Beekbergen tussen 1860 en 1870 gespaard bleef voor grote rampen zoals de cholera, de pokken en de veepest, die op veel plaatsen in het land heersten, waren ook veel bewoners van Beekbergen straatarm en hadden gebrek aan van alles. Werkloosheid was schering en inslag, zeker in de wintermaanden. Kreeg men dan ook nog te maken met ziekte of ouderdom, dan verviel men al gauw tot grote armoede. Ook arbeiders die wel werk vonden, konden maar nauwelijks rondkomen van hun loon doordat de levensmiddelen alsmaar duurder werden. De armen waren dan ook talrijk en zij waren meestal aangewezen op de ‘bedeling’ vanuit de diaconie. Zij kregen wat kleding en eten en soms een paar stuivers, net genoeg om te kunnen overleven. Jaar op jaar vond in de winterperiode door de kerk een uitdeling plaats van roggebrood, gort, spek en bruine bonen aan de armen. Daarnaast kregen ze turf om te stoken en katoenstof voor het maken en verstellen van kleding. De diaconie ging rond de kerstdagen langs de huizen om de bewoners op te wekken mild te geven voor de ‘nieuwjaarsbedeling’, zodat de arme voor één dag in het jaar vlees op tafel kon krijgen.
In sommige gevallen zorgde de diaconie ook voor onderdak in zogenaamde armenhuizen. Als iemand echt arm was en geen werk had en ook de familie kon niet meer helpen, dan kwam men terecht in een armenhuis. De diaconie van de hervormde kerk in Beekbergen beschikte over twee armenhuizen: een behuizing van zes zeer kleine woningen aan een pad dat later Hietveldweg zou gaan heten en een woning aan de Wezenweg in Ugchelen. Tegen het einde van de 19e eeuw was het armenhuis aan de Hietveldweg zo slecht, dat het onbewoonbaar was geworden. Het gebouw werd gesloopt en in 1904 werd, met financiële steun vanuit de bevolking, een nieuw armenhuis (later ‘Dorpszicht’) gebouwd voor vier gezinnen. De woningen waren nog steeds klein en vanwege de dunne wanden uiterst gehorig.

Armenhuisjes aan de Hietveldweg
De diaconie werd in haar werk vaak gesteund door plaatselijke verenigingen. Zo hielp de christelijke naaivereniging in Beekbergen in 1887 maar liefst 42 behoeftige gezinnen aan kleding voor de winter.
Daar de diaconieën vrijwel volledig afhankelijk waren van giften, werd er goed opgelet dat het geld uitsluitend terecht kwam bij de mensen die het echt nodig hadden. Daarbij werd ook heel kritisch gekeken naar de levenswandel van betrokkenen. Gaf men het geld in de kroeg uit, dan werd de uitkering meteen gekort.
Pas in de tweede helft van 19e eeuw ging de overheid zich met de armenzorg bemoeien. Overigens is het bepaald niet zo dat de diaconieën na ruwweg 1850 uit beeld verdwenen; de gemeentelijke betrokkenheid nam weliswaar toe, maar nog gedurende de gehele negentiende eeuw (en zelfs tot in de twintigste eeuw) bleven de diaconieën actief in de armenzorg.