Vanaf het jaar 1600 werden in de omgeving van Beekbergen en Apeldoorn veel koren- en kopermolens tot papiermolens omgebouwd en zo ontstond een nieuwe industrie, de papiermakerij.
De papiermakerij op de Veluwe kwam later tot grote bloei mede dankzij de economische opleving in de gouden eeuw.

Papiermaker
De papiermaker gebruikte veelal lompen als grondstof voor de papierbereiding. Deze lompen werden vanuit Deventer aangevoerd. De lompen werden gesorteerd en in repen versneden. Het waterrad van de molen bracht de hamers in de waterbakken in beweging en dit hamerwerk vermaalde de gebleekte lompen in zes tot acht uren tot pulp. Deze pulp was de papierstof. Als de papierstof de juiste kwaliteit bezat, kon de papiermaker met een soort zeef, de papierstof uit het water scheppen. Het natte vel papier legde hij tussen vilt en daarna werd het geperst om het water uit de stof te verwijderen. Tenslotte werden de vellen papier aan de hoge zoldering van de molen gehangen om te drogen.

Veluwse
papiermolen
Op de kleine Veluwse molens werkte de molenaar/papiermaker dikwijls alleen met eigen vrouw en kinderen. Soms had de molenaar een papierschepper in dienst. De molenaar en zijn gezin leefden in de molen heel sober. Soms was aan de molen ook nog een klein boerenbedrijf verbonden, waar de molenaar voor zijn levensonderhoud in tijden van tegenslag op terug kon vallen.
Het hoogtepunt van de papierindustrie op de Veluwe lag rond 1750; toen telde men in de omgeving van Beekbergen, Apeldoorn en Vaassen maar liefst 174 molens.
Omstreeks 1630 was de tachtigjarige oorlog in deze contreien gestreden en was ook de godsdienstige strijd voorbij en het oude geloof vervangen door de van bovenaf opgelegde nieuwe leer en haar sobere liturgie. De situatie werd eindelijk wat stabieler. Er volgde een periode van betrekkelijke rust en welvaart. In die periode groeide de bevolking rond Beekbergen weer aanzienlijk en dat betekende meestal dat het redelijk goed ging in zo’n tijd. Maar de rust en de betrekkelijke welvaart waren van korte duur. In 1672 komt er oorlog tussen de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden tegen Frankrijk, Engeland, Münster en Keulen.
Met een grote legermacht trekken de Fransen vanuit het zuiden naar de Veluwe. Het leger van de Republiek trekt zich terug achter de Hollandse waterlinie. Daardoor komt de Veluwe spoedig in handen van de Franse bezetter. Aanvankelijk treden de Fransen lankmoedig op, maar weldra slaat de bezetter in alle wreedheid toe. Er moet stro komen om de kampementen van de Franse soldaten in te richten. Omdat het niet snel genoeg wordt aangevoerd, halen de Fransen het riet van de daken van de behuizingen. Voedsel, huisraad, geld, kortom alles wat los en vast zit valt ten prooi aan de Franse terreur. Toch slaagt koning Lodewijk XIV van Frankrijk er niet in om de Republiek op de knieën te krijgen.
Het duurt tot 1674 voor de Veluwe van zijn bezetter wordt bevrijd. Nadat de Fransen zich in Deventer hebben teruggetrokken, krijgen Beekbergen en Apeldoorn evenwel toch nog onverwacht te maken met een zware plundering op 1 mei 1674 door de ruiters van de bisschop van Keulen. Kleding, huisraad en voedsel wordt door de Keulse soldaten en huurlingen op karren geladen en meegevoerd. De bevolking kan niet anders dan machteloos toekijken.
Tussen 1680 en 1713 vormden grote groepen deserterende en plunderend rondzwervende huursoldaten een ware plaag voor de bevolking. Verder was er de uitzonderlijk strenge winter van 1683-1684; de koudste winter van die eeuw. De winter viel in november 1683 in en maar liefst zeven weken lang bleef het streng vriezen. Alle grote rivieren in Europa bevroren en er werden ijsdiktes van 63 cm gemeten. Door de barre winter ontstond er een groot tekort aan voedsel en veel mensen overleden door ondervoeding en ziekte. Oorlog, plunderingen en veeziekten zorgden uiteindelijk rond 1715 voor een uitgemergeld land en een berooide bevolking.