De Veluwe is ontstaan in de voorlaatste ijstijd. Grote rivieren hadden daarvoor dikke lagen zand en grind met dunnere lagen klei afgezet in de lager gelegen gebieden. Door het oprukkende landijs in het dal van wat nu de IJssel heet, werden deze zand- en grindlagen door de gletsjers opgestuwd tot grote stuwwallen. Het ijs drukte een dal uit van wel 30 tot 40 kilometer breedte en een lengte van ruim 60 kilometer met een diepte van 90 tot 125 meter. Aan de ene kant van het dal ontstond zo de Sallandse heuvelrug en aan de andere kant de Veluwse stuwwal. De oostelijke stuwwal van de Veluwe loopt van Hattem naar Dieren en Arnhem. De grootste hoogte van de stuwwal is een 110 meter hoge heuvel in de Imbosch.

De Veluwe werd tijdens deze ijstijd bedekt door een tientallen meters dikke ijs. Na de laatste ijstijd, ongeveer 12.000 jaar geleden, begon de tientallen meters dikke ijskorst op de stuwwal van de Oost-Veluwe te smelten en zocht het water zich een uitweg in oostelijke richting naar de veel lager gelegen IJssel-delta. Via allerlei ondergrondse stromen, grind, kleilagen en zandbanken kwam het water na vele tientallen jaren aan de rand van het Veluwe-massief aan de oppervlakte.
Bij Beekbergen welde het water op in de buurtschap Engeland, ten westen van de kern van het dorp. Dat is het brongebied van wat nu de Oude of Beekberger beek heet. Water was in de oudheid de belangrijkste voorwaarde voor menselijke bewoning. De aanwezigheid van het water van de Oude Beek is dan ook een belangrijke reden geweest voor mensen om zich in de omgeving van het brongebied van deze beek te vestigen.

De nederzettingen rond Beekbergen liggen alle aan de rand van de stuwwal. Beekbergen en de omliggende dorpen en de buurtschappen of boerschappen danken hun bestaan aan de Oude Beek. Het is ook een bijzondere beek, want het is de enige natuurlijke beek van de Oost-Veluwe.
De oudste sporen van bewoning rond Beekbergen gaan terug tot de bronstijd (ca. 3000 tot 800 voor Chr). In de buurtschap Engeland (Bruggelen) en Het Spelderholt ten westen Beekbergen vormen de daar liggende grafheuvels hiervan het bewijs. Ook de vondst van urnen met verbrande mensenbeenderen in een aantal kuilen in de buurtschap Engeland, duidt op de aanwezigheid van mensen in de prehistorie. Bij ‘Herenhul’ in Bruggelen is aardewerk gevonden van ca. 2500 voor Chr.

In de vroege middeleeuwen, rond de 8e en 9e eeuw, vormde de Veluwe als het ware een eiland in het omliggende drassige laagland. Het gebied was bedekt met uitgestrekte dennenwouden en loofbossen van vooral eiken en berken. Het omliggende land was op enkele hoge ruggetjes na (b.v. bij Wilp), ontoegankelijk en te drassig voor landbouw. Hier strekten zich ondoordringbare moerasbossen uit. Het laatste restant daarvan was het Beekberger Woud. In de middeleeuwen is men langzamerhand begonnen de Veluwe in cultuur te brengen en ontstonden dorpen op de flank van de stuwwal tussen Hattem en Dieren. De dorpen zijn ontstaan op de grens tussen het droge land van de Veluwe en de natte gronden van de IJsselvallei. Een goede plek om te wonen. Enerzijds droog genoeg om voedsel te kunnen verbouwen en anderzijds nat genoeg om nooit gebrek aan water te hebben.
De naam Veluwe komen we voor het eerst tegen in de 8e eeuw. Daarvoor is over de Veluwe weinig bekend. Het gebied heeft geen deel uitgemaakt van het Romeinse Rijk, want de Rijn vormde de noordelijke grens van dit rijk. In het begin van de 8e eeuw komt de Veluwe binnen de Frankische rijksgrens te liggen en rond het eind van die eeuw wordt voor het eerst iets gemeld over deze contreien. Met de komst van de Franken komt de Veluwe met zijn ca. 2000 inwoners onder het bestuur van het Frankische rijk en heeft ook het christendom op de Veluwe zijn intrede gedaan. De kerstening van de Veluwe vond plaats vanuit Utrecht door de bisschoppen Willibrord en Gregorius. Een van de medewerkers van de bisschop, Liafwin of Lebuïnus predikte ten westen van de IJssel. Zijn werk werd later vanuit Deventer voortgezet door Liudger.
De komst van het christendom op de Veluwe leidde al spoedig tot de bouw van enkele kerken en kapellen in de 8e en 9e eeuw o.a. in Wilp (in 765). Die kerkjes waren overigens niet veel meer dan kleine houten bouwsels, zonder preekstoel, want er werd toen in de kerken nog weinig of niet gepreekt. Rond 800 had Vaassen een eigen kerkje en in 893 ook Voorst.
In de vroege middeleeuwen is niet veel geschreven over de Veluwe. In de weinige geschriften over deze streek gaat het meestal over de schenkingen van gronden aan de kerk en kerkelijke instellingen door grootgrondbezitters. Ook graven en hertogen deden regelmatig schenkingen aan abdijen en kloosters. Het betrof in de meeste gevallen schenkingen van grote grondgebieden en boerenhoeven, soms gepaard gaande met het recht op ontginning van de omliggende woeste gronden. Zo verkregen veel kloosters en abdijen bezittingen op de Veluwe. De vroegste vermeldingen van de buurtschappen rondom Beekbergen komen het eerst voor in schenkingsakten. De namen ‘Engeland’ en ‘Braclog’ (Bruggelen) worden voor het eerst genoemd in een schenkingsakte in het jaar 801. Het is een schenking aan Liudger van een hofstede en een twaalfde deel van een bos, met weide of weiderechten en het volle gebruiksrecht dat wettelijk aan die hofstede was verbonden.

In 855 schonk een monnik, ene Folker, een zesde deel van het bos Orclo (later ‘Spelderholt’) aan de Benedictijner abdij in Werden (Duitsland). De schenking van het bos Orclo betrof ook een ontginning. Door al deze schenkingen kreeg de kerk (het bisdom) zeer veel grond in bezit. Het waren de Veluwse boeren die al deze gronden ontgonnen en bewerkten. Zo was de kerk in die tijd niet alleen van belang voor hun geestelijk heil, maar ook voor hun materiële wel en wee waren velen aan de kerk gebonden. Overigens was in die tijd niet alleen de kerk grootgrondbezitter; ook de landsheer (graaf en hertog) en enkele andere feodale heren hadden grote bezittingen aan grond en landerijen.
In de omgeving van Beekbergen zijn sporen van een nederzetting ontdekt in de buurt van Het Spelderholt. Daar is een grafveld ontdekt uit de 7e en 8e eeuw en zijn ook sporen gevonden uit de 10e en 12e eeuw.De oudste nederzettingen in de vroege middeleeuwen op de Veluwe zijn de buurtschappen of buurschappen op de wat hoger gelegen zandgronden te midden van heidevelden en drassige broeklanden.
Naast deze buurtschappen ontstonden op een later tijdstip de marken. De bewoners hiervan brachten de grond in cultuur en omringden de bouwlanden of enken met een aarden wal. De velden buiten de aarden wal waren bestemd voor gezamenlijk gebruik en werden meenten of maten genoemd. De marken regelden ook het gezamenlijk gebruik van nog onontgonnen grond rondom een buurtschap. De gezamenlijke afspraken werden in zgn. markeboeken schriftelijk vastgelegd.
Een van de oudste marken was de Bruggelermark of Engelanderholt (rond 800). De buurtschappen Engeland, Loenen en Zilven worden in de 9e eeuw vermeld. Als bossen bij Beekbergen worden in 801 vermeld: Braclog (Bruggelen) en Orclo (Spelderholt).